DIENSTEN |  CONTACT |  PRIJZEN |  GLOSSARIUM |  LINKS

GLOSSARIUM

E-peil
Het E-peil is een maat voor de energieprestatie van een woning en haar vaste installaties in standaardomstandigheden. Hoe lager het E-peil, hoe energiezuiniger de woning is.

Het E-peil hangt af van de compactheid, de thermische isolatie, de luchtdichtheid, de ventilatie, de verwarmingsinstallatie, de koelinstallatie, het systeem voor warmwatervoorziening, de oriëntatie en bezonning .
Bij kantoren en scholen wordt tevens de verlichtingsinstallatie meegerekend in het E-peil.

Het E-peil wordt berekend voor elk deel van een gebouw dat afzonderlijk gebruikt wordt en voor elk deel dat een verschillende bestemming heeft.

Voor stedenbouwkundige vergunningsaanvragen vanaf 1 januari 2010 gelden volgende maxima:
Woongebouwen :               E80
Kantoren en scholen:    E100

K-peil
Het K-peil geeft het maximaal peil van de globale warmte-isolatie van het gebouw weer. In tegenstelling tot het E-peil geldt de K-peil eis voor het gebouw als geheel en niet voor afzonderlijke delen van een gebouw.

Bij gedeeltelijke herbouw of bij uitbreiding geldt de K-peileis enkel voor het herbouwde of het nieuwe deel van het gebouw. Alleen het nieuwe of herbouwde deel wordt in het K-peilvolume opgenomen. Andere delen behoren niet tot het bouwproject en dus niet tot het K-peilvolume.

Het maximale K-peil varieert van K45 tot K65, enerzijds afhankelijk van de bestemming (wonen, kantoor en school, andere specifieke bestemming, industrie), en anderzijds van de aard van het werk.

U- en R-waarden
Op vlak van thermische isolatie gelden er maximale U- en minimale R-waarden.

De maximale U-waarden zijn de maximale warmtedoorgangscoëfficienten van de scheidingsconstructies zoals een muur, vloer, dak, raam, deur enz…
Voor bepaalde scheidingsconstructies gelden dan weer minimale warmteweerstanden, de R-waarden, in plaats van maximale U-waarden.

U-waarden tabel

Ventilatie
Voor ventilatievoorzieningen gelden er minimumeisen.
Deze eisen hangen zowel af van de aard van het werk als van de bestemming, maar ook van de functie van elke ruimte.

Bij een deelproject ‘verbouwing’ moeten men enkel voor de droge ruimten waar ramen vervangen worden, minimale toevoeropeningen voorzien;
Bij andere werkzaamheden moet een volledig ventilatiesysteem geïnstalleerd worden.

Oververhitting
Er is een eis op het beperken van het risico op oververhitting.
Het beperken van het risico op oververhitting is, samen met de eis voor minimale ventilatievoorzieningen, een eis op het vlak van binnenklimaat.

Enkel bij woongebouwen wordt deze beperking specifiek geëist. Bij elk project met een woonbestemming moet het risico op oververhitting onderzocht worden. De oververhittingsindicator moet onder een drempelwaarde blijven.

Voor een zo laag mogelijk E-peil is het sowieso interessant om het oververhittingsrisico voor alle gebouwen zo veel mogelijk te beperken.

Er wordt best al van in de ontwerpfase aandacht besteed aan de beperking van het risico op oververhitting. In gebouwen waar relatief veel beglazing is toegepast in verhouding tot het beschermde volume kan het moeilijk zijn om het oververhittingsrisico te beperken als er weinig of geen aandacht besteed wordt aan bv. de oriëntatie van de vensters, de zonnetoetredingsfactor van de beglazing, effectieve zonwering aan vensters of beschaduwing van vensters door luifels.

Daarnaast kan het toepassen van een lichte bouwwijze (houtskeletconstructie, …) het oververhittingsrisico doen toenemen. Deze bouwwijze heeft minder thermische capaciteit dan het gebruik van metselwerk of beton omdat deze materialen de warmte beter opslaan in hun massa.

Gebouwschil
Onder het gebouwgeschil wordt het geheel van wanden, die het beschermde volume begrenzen, begrepen: muren, vloeren, daken, vensters, enz…

Beschermd volume
Het volume van alle lokalen van het gebouw dat men wenst te beschermen tegen warmteverlies naar buiten, naar de grond of naar aangrenzende ruimten die niet tot het beschermde volume behoren.

Warmtedoorgangscoëfficiënt U (W/m²K) (vroegere notering k)
Waarde die de kwaliteit uitdrukt van de thermische isolatie van een wand. Deze coëfficiënt drukt meer bepaald de hoeveelheid energie uit die zou wegstromen door een wand van 1 m² bij een temperatuurverschil van 1°C tussen de beide kanten van die wand. Hoe lager deze waarde, hoe minder warmte het gebouw verlaat door de wand.

Gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt Um (W/m²K)
Gemiddelde waarde van alle U-waarden van de wanden die de gebouwschil vormen. Deze waarde wordt verkregen door weging van de U-waarden van de wanden in verhouding tot hun oppervlakte.

Thermische geleidbaarheid  (W/mK)
Waarde die de thermische kwaliteit uitdrukt van een materiaal. Hoe lager deze waarde, hoe beter het materiaal geschikt is voor thermische isolatie.

Warmtewinst door interne warmteproductie
De warmte die wordt vrijgegeven door elektrische toestellen (halogeenlamp, computer, elektrische huishoudtoestellen, enzovoort), de bewoners of andere warmtebronnen binnenshuis. Deze vorm van warmtewinst is vooral belangrijk in kantoorgebouwen.

Warmtewinst door bezonning
De warmte die door de zon in het gebouw wordt aangevoerd. Deze warmte komt in hoofdzaak binnen door de vensters, glazen wanden en daken. De warmtewinst door bezonning via niet-geïsoleerde ondoorschijnende wanden (voornamelijk via de daken) kan zeer belangrijk zijn en de bron zijn van oververhittingsproblemen.

Thermische inertie van het gebouw
Het vermogen van een gebouw om warmte op te slaan. Het is de massa van de scheidingsconstructies van het gebouw (muren, wanden, vloer) die deze warmteopslag mogelijk maakt.

Be-waarde (behoeftewaarde )
De waarde van de verwarmingsbehoefte drukt een theoretisch jaarlijks verbruik uit in kWh/m² van het gebouw. Voor de berekening van deze behoefte wordt rekening gehouden met de isolatie, de ventilatie, de thermische inertie en de bezonning in het gebouw.

(Globaal) rendement van het verwarmingssysteem

Deze waarde, ook wel prestatie van het verwarmingssysteem genoemd, is afhankelijk van het afzonderlijk rendement van alle elementen waaruit het systeem bestaat : het productierendement, het distributierendement, het afgifterendement en het regelrendement. In de praktijk drukt deze waarde een verhouding uit tussen de nuttige energie, die effectief dient om de woning te verwarmen, en de energie die wordt verbruikt door het warmteproductiesysteem.

Productierendement
Naar gelang van het type verwarmingssysteem kan het rendement van de warmteproductie variëren. De parameters die dit rendement kunnen beïnvloeden, zijn onder meer de kwaliteit van de verbranding, de isolatie van de ketel, de verliezen door ventilatie via de schoorsteen.

Distributierendement

Het distributierendement is afhankelijk van de verliezen op het niveau van de leidingen die de door de ketel geproduceerde warmte vervoeren naar de verwarmingslichamen. Die verliezen hangen af van de lengte, de diameter en de isolatie van de leidingen alsook van de temperatuur van de warmtedragende vloeistof.

Afgifterendement
De afgifte van de verwarmingslichamen gaat eveneens gepaard met verliezen die ervoor zorgen dat een deel van de afgegeven warmte niet nuttig wordt gebruikt voor de verwarming van de comfortzone. Het afgifterendement wordt in hoofdzaak bepaald door het type verwarmingslichaam dat wordt gebruikt en door de temperatuurstratificatie.

Regelrendement

De regeling van een verwarmingsinstallatie moet ervoor zorgen dat de geschikte temperatuur wordt gehandhaafd op het juiste moment en op de juiste plaats in de woning.
Voor het regelrendement wordt rekening gehouden met de manuele kranen, de thermostatische kranen, het feit of er al dan niet een kamerthermostaat,
een buitenvoeler of een programmeerbare klok aanwezig is.

Warmteweerstand R (m²K/W)

Deze waarde is het omgekeerde van de warmtedoorgangscoëfficiënt U (R = 1/U). Ze drukt dus eveneens de kwaliteit uit van de thermische isolatie van een wand. In tegenstelling tot de warmtedoorgangscoëfficiënt U geldt hierbij : hoe hoger de waarde, hoe minder warmte het gebouw verlaat door de wand.